Arbeidsovereenkomst voor zzp-contrabassiste

26 augustus 2020

Een contrabassiste, die tussen 2013 en 2018 als remplaçant (plaatsvervanger) aan het Balletorkest verbonden was, krijgt met ingang van seizoen 2018/2019 geen nieuwe producties aangeboden. De vrouw werkte er de seizoenen daarvoor zoveel dat, ook gelet op alle overige omstandigheden, zij aanspraak maakt op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
De muzikante doet een beroep op het rechtsvermoeden uit het Burgerlijk Wetboek en stelt dat sinds 1 augustus 2017 sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen haar en Het Balletorkest. Na haar gedwongen ontslag bij Holland Symfonia als gevolg van kortingen op de subsidie in de kunstensector is de vrouw direct aansluitend ingezet bij producties van Het Balletorkest. Ook nadat de raamovereenkomst op 31 juli 2017 van rechtswege is geëindigd, heeft de contrabassiste onverminderd structureel en vrijwel wekelijks gewerkt, vergelijkbaar met toen zij in loondienst werkte. De vrouw stelt dat zij persoonlijke arbeid verrichtte, tegen beloning en onder het gezag van Het Balletorkest. De Kantonrechter Amsterdam overweegt, op basis van een arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015, dat bij een beroep op het rechtsvermoeden uit het Burgerlijk Wetboek (arbeid, loon, gedurende zekere tijd en gezagsverhouding) alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, moeten worden meegewogen. In deze zaak weegt onder meer mee dat de omvang van de werkzaamheden die de contrabassiste na haar gedwongen ontslag bleef verrichten vergelijkbaar is met de omvang van haar eerder beëindigde dienstverband. De contrabassiste kon zich niet laten vervangen en moest de arbeid persoonlijk verrichten. Ook had zij zich te houden aan nauwkeurige voorschriften en aanwijzingen zoals onder meer de vaste tijdstippen voor repetities, optredens en concerten, kledingvoorschriften en de stoelenindeling binnen de groep contrabassisten. Dit alles leidt tot het aannemen van arbeidsrechtelijke ondergeschiktheid. Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, komt de kantonrechter tot de conclusie dat in ieder geval op 31 juli 2017 sprake is van het verrichten van arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Bron: Ktr. Amsterdam 14-07-2020

Terug naar overzicht